De calogisering van de politie: de inzetbaarheid van burgerpersoneel bij de politie

Onderzoeker: Greet Verstrynge
Promotor: Prof. dr. Jeroen Maesschalck
Co-promotoren: Prof. dr. Frank Hutsebaut, Prof. dr. Els Enhus, Prof. dr. Miet Vanderhallen
Looptijd: 1/10/2009 – 30/09/2010
 
Met de politiehervorming zoals gelanceerd in 1998, wijzigde de aanwezigheid van burgerpersoneel bij de politie in meerdere opzichten. Vooreerst werd voorzien in een eigen statuut voor het burgerpersoneel, i.e. het CALog-statuut. Daarnaast werd een structurering doorgevoerd, waarbij het burgerpersoneel werd ingedeeld in verschillende niveaus. Een derde wijziging betrof de toename in aantallen en dit zowel op federaal als lokaal niveau. Ten vierde breidde ook de verscheidenheid van de functies zich uit.
Deze ‘calogiseringsoperatie’ heeft ertoe geleid dat men 10 jaar na de politiehervorming burgerpersoneel, en met name burgerpersoneel niveau A, terugvindt in diverse functies, die zowel leidinggevend als niet-leidinggevend van aard kunnen zijn (Croonen, 2009).   Niet enkel de functies die door burgerpersoneel niveau A worden opgenomen blijken divers van aard, ook de beweegredenen om hen aan te trekken kennen een grote verscheidenheid, gaande van culturele motieven tot wettelijke bepalingen. Bovendien wordt ter zake een verschil vastgesteld tussen Vlaanderen en Wallonië.
Met de geschetste evolutie wijzigt de traditionele verhouding tussen het operationele kader en de het kader van het burgerpersoneel (Mulleners, 2008). Deze wijziging heeft niet enkel betrekking op de administratieve en logistieke functies, maar evenzeer op de leidinggevende en operationele functies. Dit leidt tot discussie in de verhouding tussen officieren en burgerpersoneel niveau A in het algemeen, en de inzetbaarheid van burgerpersoneel niveau A in het bijzonder. 
 
Vanuit bovenstaande vaststellingen wordt de fundamentele vraag, die ook de centrale onderzoeksvraag zal zijn van dit beleidsgericht onderzoek, dan ook als volgt geformuleerd: Welke (leidinggevende) functies kunnen en mogen door burgerpersoneelsleden niveau A worden opgenomen in de Belgische politie?
Deze normatieve vraag zal worden beantwoord door een combinatie van normatief en empirisch onderzoek in drie stappen, die zullen overeenkomen met de drie fasen van het onderzoek: 
  1. Welke voor- en tegenargumenten kunnen in de literatuur gevonden worden met betrekking tot het inzetten van burgerpersoneel niveau A (of gelijkwaardig) in verschillende functies en specialiteiten?
  2. Welke argumenten formuleren de verschillende betrokken actoren in de focusgroepen en interviews ten opzichte van het inzetten van burgerpersoneel niveau A in verschillende functies en specialiteiten?
  3. Wat suggereren de ervaringen (voor- en nadelen, mogelijkheden en beperkingen) uit de explorerende gevalsstudies ten opzichte van de inzetbaarheid van burgerpersoneel niveau A in verschillende functies en specialiteiten?
Met deze drie methoden (literatuurstudie, focusgroepen/interviews en gevalsstudies) wordt een matrix gevormd, die weergeeft welke argumenten voor het wel of niet inzetten van burgerpersoneel worden aangehaald ten aanzien van welke functies/specialiteiten en functiekenmerken. Het onderzoek heeft niet tot doel te oordelen of het inzetten van burgerpersoneel goed is of niet, maar wenst een kader aan te reiken waarmee weloverwogen beslissingen rond het inzetten van burgerpersoneel kunnen genomen worden, rekening houdend met de eigen context.

Nieuws

Activiteiten van het CPS 

Structureel partnership 2017

CPS-prijs voor het beste Nederlandstalige eindwerk